Een gave vrek

Eugenie Grandet

COLUMN Gerard Borst

Een gave vrek

 

De Franse romanschrijver Balzac schiep een van de gaafste vrekken uit de wereldliteratuur. Zijn heldin Eugénie Grandet wordt geplaagd door een gierige vader.

Balzac schonk zijn titelheldin een vader die kan worden beschouwd als een van de gaafste vrekken uit de wereldliteratuur.

Die koestert en streelt zijn fortuin, maar piekert er niet over het ooit uit te geven. Daarvoor is hij veel te veel een archtypische vrek. Koketteren ministers van Financiën terecht met de geuzennaam ‘vrek’? Is de roman Eugénie Grandet van Honoré de Balzac (1799-1850) een meesterwerk? Daarover ga ik niet in debat. Wel wil ik kwijt dat deze, in het begin van de Franse Julimonarchie verschenen roman me hogelijk fascineert. Dit heeft een simpele reden: Balzac schonk zijn titelheldin een vader die kan worden beschouwd als een van de gaafste vrekken uit de wereldliteratuur.

Als u destijds geabonneerd was op De Vrekkenkrant, de voorganger van Genoeg, hoef ik u niet uit te leggen wat een vrek is. U bent er dan namelijk zelf een. Maar om misverstanden uit te sluiten, diep ik het begrip hier toch verder uit. Daartoe ga ik te rade bij de Duitse geleerde Georg Simmel (1858-1918).

 

Nuttigheidswaarde

Simmel is de schrijver van Philosophie des Geldes, een hecht doortimmerd boekwerk uit 1900 dat nog altijd over de toonbank gaat. In deze vrucht van zijn formidabele denkkracht legt Simmel een aantal zogenoemde ‘geldtypen’ onder het ontleedmes. Ook ‘de vrek’ komt aan bod.

De vrek, zegt Simmel, is iemand bij wie het bezitten van geld vooropstaat. Niet het verwerven ervan komt bij hem op de eerste plaats; het komt er vooral op aan dat hij geld heeft liggen. En geld uitgeven, dat is uit den boze. Wat er ook voor geld te koop is: hij taalt er niet naar. Geld heeft voor hem geen nuttigheidswaarde, is voor hem geen middel om dingen mee te kopen en daar dan van te genieten. De vrek geniet er alleen van om geld te hebben.

 

Koesteren, strelen, uitbroeden

EugénieGrandet speelt zich af in het Franse Saumur, een wijnstreek in de Loire-vallei. Rond 1820 raakt de puissant rijke wijnbouwer Grandet, een zeventiger, door zijn vrekkigheid in een ernstig conflict met zijn nog jonge dochter Eugénie. In de heftigste scène in het boek wil de oude Grandet een reiskistje dat voor Eugénie heilig is, ontdoen van het goud waarmee het rijkelijk is beslagen. Hij ziet daar pas van af als Eugénie dreigt zich met een mes van het leven te beroven. De scène voltrekt zich in het bijzijn van moeder Grandet, die ziek in bed ligt.

Van Grandets vrekkigheid lopen in Saumur de monden over:

‘Iedereen was ervan overtuigd dat Grandet een privé-schat bezat, een geheime bergplaats vol louis d’or [Franse muntsoort, red.] en dat hij zich ’s nachts overgaf aan het onzegbare genot dat de aanblik van een grote massa goud verschaft.’

In een andere passage zegt Balzac dat Grandet inderdaad zo’n geheime bergplaats heeft, een ‘laboratorium’ waar hij alleen kan zijn als een alchimist bij zijn oven. Daar, aldus de auteur,

‘… hingen de balansen om zijn louis d’or te wegen. Daar kwam de oude wijnbouwer zijn goud koesteren, strelen, uitbroeden, laten gisten, wanneer de wolfshond waakte en lag te gapen op de binnenplaats, wanneer mevrouw Grandet en Eugénie eenmaal sliepen.’

 

Crisis

We leven in crisistijden. Alom klinkt de roep om overheidsbezuinigingen. Ministers van Financiën mogen hierbij graag koketteren met de geuzennaam ‘vrek’. Maar een Jan Kees de Jager voor wie geld geen nuttigheidswaarde heeft, dat kan ik me toch moeilijk voorstellen…