Het geld dat spant de Kroon

Schermafbeelding 2012-06-04 om 20.14.40

COLLUMN  Gerard Borst

Het geld dat spant de Kroon

Genoeg-columnist Gerard Borst graaft zich autobio en herontdekt de literatuur die zijn kijk op de wereld diepgaand beïnvloedde. Ook de poëzie kwam op zijn pad – de geldgedichten, bijvoorbeeld, die Gerrit Komrij voor een bank bijeen sprokkelde.

‘De wereld hangt aaneen van geld’

Gerrit Komrij (Winterswijk, 30 maart 1944 – Amsterdam, 5 juli 2012) voorzag zijn bloemlezingen van prachtige inleidingen. Voor ‘Het geld dat spant de Kroon’, een verzameling geldgedichten die hij eind jaren tachtig bijeenbracht voor F. van Lanschot Bankiers NV, maakte hij geen uitzondering. Althans, zo heb ik het in mijn herinnering. Komrij is op de kop af twee maanden ‘pleite’, zoals collega-dichter Jules Deelder het uitdrukte – een uitgelezen moment om de proef op de som te nemen. Zorgde de Nederlands kampioen bloemlezen, als hij poëzie ‘sprokkelde’ in opdracht van het grootkapitaal, ook voor topkwaliteit?

De openingsalinea zadelt me op met een vraag. Waar is die Komrij-bundel gebleven? Ik ga naar de boekenkast beneden. Die kast is wanordelijk. Waarom in godsnaam? Was ik, voordat ik geldonderzoeker werd bij een museum, niet een voorbeeldig bibliothecaris? Waarom dan in mijn eigen boekenkast die wanorde? Terwijl ik zoek, komt een gedachtenstroom op gang. Ach, bibliothecaris… een beroep aan het eind van een van mijn vluchtwegen… als catalogusbouwer koesterde ik de geborgenheid van een kunstmatige wereld waaruit alle chaos was verbannen… een leven bij de gratie van onomstotelijke regelwerken.

Geld en poëzie

Pffft… mijn gegrasduin in de kast heeft succes. Ik moet ervoor op de knieën, maar de door Komrij gebloemleesde ‘pecuniaire’ gedichten komen tevoorschijn.

In mijn werkkamer vindt de hernieuwde kennismaking plaats met een briljante inleiding. Briljant, natuurlijk, Komrij was dat aan zijn stand verplicht. De verleiding is groot om lekker uit die inleiding te gaan citeren. Maar ik wil toe naar de poëzie zelf, en beperk me tot Komrij’s constatering dat ‘het nooit erg heeft willen boteren tussen geld en poëzie’ en dat ‘als we de dichters moeten geloven iets alledaags en vulgairs als geld ze maar zelden in gedachten schiet’.

De spoeling is dun, wilde Komrij maar zeggen. Met wat hij toch nog vond, liet zich evenwel een fraaie bundel samenstellen, die zich qua omvang niet hoefde te schamen. Het hoogtepunt is het vers ‘Geld’ van Pieter Langendijk (1683-1756). Ziehier de openingsstrofe uit dit vers:

‘k Placht weleer zo zot te wezen,

Schoon ik vrij veel heb gelezen,

Dat de waereld hing aaneen,

Van atomen groot en kleen,

Deeltjes rond of scherp van hoeken

Die gestaag malkander zoeken,

Maar ‘k zie nu ’t is mis gesteld,

Want zij hangt aaneen van geld.

‘De waereld hangt aaneen van geld’ – eeuwen geleden had men het al begrepen.

 

Gerard N. Borst is freelance publicist. Voor het Geldmuseum deed hij onderzoek naar geldculturen. In zijn column voor Genoeg.nl beweegt hij zich op het snijvlak van geld, literatuur en politiek.

Delen:Share on FacebookTweet about this on TwitterPin on PinterestShare on LinkedIn