Winnaars en verliezers

depressie epidemie

COLLUMN  Gerard Borst

Winnaars en verliezers

Bezuinigen is het parool van deze tijd; het neoliberale kabinet-Rutte is de kampioen in het genre. Maar wat als je zelf wordt wegbezuinigd?

De neoliberale concurrentie-maatschappij bestaat bij de gratie van verliezers

Ben je dan volgens de neoliberale gedachtegang niet een ontzettende ‘loser’? Iemand die zijn eigen geluk niet goed gemanaged heeft? Gerard Borst overpeinst de tegenstrijdigheden van onze concurrentiemaatschappij.


Mijn debuut als werkloze maakte ik direct na mijn afstuderen. Het was 1985, ik hoopte de wereld te winnen met een doctoraalbul Sociologie. Maar die wereld gaf geen sjoege. Het voert te ver daarover uit te weiden. Voor ik het weet, verbergt u een verveelde gaap achter een meer of minder behaarde hand, en dat is de eer van een columnist te na. Laat ik alleen zeggen dat een kleine dertig jaar later de cirkel rond is. Werkloos aan het begin van mijn carrière, ben ik dat aan het eind ervan – de pensioengerechtigde leeftijd bevindt zich binnen gehoorafstand – opnieuw: mijn baas, het Geldmuseum, heeft mij wegbezuinigd.

Kasplantjes

Daar zit ik dan, ‘ik arme donder van een vent’. Wat krijgen we nou? Arme donder? ‘Daar heb je weer zo’n loser’, hoor ik u denken. ‘Zo’n kleinzieligerd die zich ontslaat van eigen verantwoordelijkheid, die weigert zijn lot in eigen hand te nemen, zo’n van ondernemingslust verstoken tobber. Zo’n mens die als de dood is om te leven. Geluk is plicht. Het komt aan op daden. Wees onafhankelijk, wees vrij! Zoals het een goed neoliberaal burger betaamt!’

Denkt u werkelijk zo, dan bent u een geestverwant van de Britse socioloog Frank Furedi. Furedi schreef het boek Therapy Culture (2004), een aanklacht tegen de sociaal-democratische verzorgingsstaat, die mensen te zeer als kasplantjes behandelt. Volgens Furedi is onze maatschappij verworden tot één grote behandelkamer.

‘Bibberend van angst voor problemen waarop we eventueel kans lopen, zetten we onszelf klem in een cultuur van emoties, die de ondernemingslust verlamt evenals het plezier in het bestaan.’ Zo geeft filosoof Trudy Dehue Furedi’s visie weer. Zij doet dat in haar prachtige studie De depressie-epidemie (2008). Dehue typeert Furedi als een denker die bang is dat ‘het verlichte, humanistische concept van de burger als autonome, vrijdenkende, verantwoordelijke en voor zichzelf zorgende mens als sneeuw voor de zon verdwijnt.’

Allemaal de schuld van de sociaal-democratische verzorgingsstaat. Dehue schaart zich niet aan Furedi’s kant. Laat ik uitleggen waarover De depressie-epidemie gaat. Met Nederland, zegt Dehue, is iets merkwaardigs aan de hand. Het is een welvarend, vrij en veilig land, dat van wetenschappelijke onderzoekers naar het geluk steevast een dikke voldoende krijgt. Maar tegelijkertijd schiet het gebruik van antidepressiva door het plafond, volgen we steeds vaker therapieën en lezen we steeds meer zelfhulpboeken.

Massale kleinzerigheid

Dehue gaat na waar de crux zit. Heeft de sociaal-democratische verzorgingsstaat massale kleinzerigheid gebracht? Daar wil de auteur niet van weten. Zij wijst denkers als Furedi terecht door erop te wijzen dat de depressie-epidemie pas opkwam toen de verzorgingsstaat in zijn oude vorm aan het verdwijnen was. We zijn meer en meer in neoliberale richting opgeschoven. We zijn toegegroeid naar een maatschappij die voornamelijk is gericht op competitie, een concurrentiemaatschappij waarin overheden, hulpverleners en uiteindelijk wij allemaal, elkaar de plicht voorhouden het lot in eigen hand te nemen.

De neoliberale concurrentiemaatschappij kan alleen bestaan bij de gratie van verliezers. Zij laat mensen vallen met het argument dat ze onvoldoende aan het management van hun eigen risico’s hebben gedaan. Zij ondermijnt het gevoel van eigenwaarde van veel mensen, ontzegt hun het respect van anderen en dus van zichzelf. Wie in de neoliberale samenleving niet tegen de concurrentie is opgewassen, gaat zichzelf zien als probleemgeval en versombert.

Ben ik al zo ver dat ik naar de antidepressiva grijp, nu ik op de arbeidsmarkt onderuit ben gegaan? Ach, jaren geleden alweer las ik Aldous Huxley. In zijn roman Brave New World (1932) treedt de figuur ‘John the Savage’ op, een man naar mijn hart, die de plicht om gelukkig te worden aan zijn laars lapt. Mensen, zegt hij, hebben het volste recht om ongelukkig te zijn.

Gerard Borst is onderzoeker Geldcultuur. In zijn maandelijkse column voor Genoeg.nl beweegt hij zich op het snijvlak van geld, literatuur en politiek.

Delen:Share on FacebookTweet about this on TwitterPin on PinterestShare on LinkedIn