Zola’s mijnwerkers

Schermafbeelding 2011-12-27 om 23.16.57

COLUMN – Gerard Borst

Zola’s mijnwerkers

Is een negentiende-eeuwse roman over een armlastig en kinderrijk mijnwerkersgezin nog relevant? Gerard Borst onderzoekt het.

‘Soms is lezen jezelf verliezen. Mij overkwam dat met Emile Zola’s mijnwerkersroman Germinal’

Het is december, tijd voor het eindejaarsmineurakkoord (drie keer woordwaarde). Crisis heeft zich in het land gestapeld op crisis. Wie dat ook voorzien mag hebben, politiek Den Haag in elk geval niet.

We gaan op tijdreis. Onze bestemming: 16 september 2008, Prinsjesdag. Onder politieke verantwoordelijkheid van het kabinet-Balkenende IV sprak de koningin een optimistisch getoonzette troonrede uit. Beatrix repte van ‘slechts enkele wolkjes aan de horizon’. Onderdanen, gaat u allen rustig slapen.

Armen van geest

We waren nog geen twee maanden verder of het financieel-economische noodweer was in volle hevigheid losgebarsten. Uit de mond van een commentator tekende een landelijk dagblad het volgende op: ‘Ik vraag me weleens af wat ze eigenlijk doen in politiek Den Haag. Niemand durft daar slecht nieuws te brengen en dat leidt tot een gigantische verstarring. Zalig zijn de armen van geest!’

Aan Prinsjesdag 2008 ging een komkommertijd vooraf waarin GroenLinks-Kamerlid Wijnand Duyvendak het nieuws beheerste. Bekend werd dat Duyvendak in 1985 als activist betrokken was geweest bij een inbraak in het ministerie van Economische Zaken. Bij die inbraak waren plannen gevonden voor nieuwe kerncentrales. Dit activistenverleden kostte Duyvendak politiek de kop.

Ineens begonnen meer mensen verantwoording af te leggen over de jaren tachtig. Ook gij Brutus, moet ik tegen mezelf zeggen. Tegenover een groep bezoekers van het Geldmuseum verklaarde ik dat ik me in de jaren tachtig verre heb gehouden van elke vorm van gepraktiseerd activisme.

Kalende dertiger

Wat deed ik in die jaren wel? Speciaal voor u, geachte bezoeker van Genoeg.nl, maak ik hier mijn verhaal af. Ik studeerde sociologie. Althans tot 1985, want toen haalde ik de eindstreep. Wis en waarachtig deed ik wat aan de studie, ik heb die per slot van rekening netjes afgemaakt; hoewel het tempo waarin ik dat deed aan de lage kant was. Maar als ik in gedachte terugkeer naar mijn tijd als kamerbewoner in de Amsterdamse wijk Bos en Lommer, dan verschijnt voor mijn geestesoog toch vooral een kalende dertiger die in een morsige leunstoel boeken zit te lezen die in geen enkele studiegids van de Faculteit der Sociale Wetenschappen te vinden zijn. Met name voor de Franse literatuur ontwikkelde ik een passie.

Twee schrijvers dringen zich in mijn kleine autobiografie op de voorgrond: Gustav Flaubert (1821-1880) en Emile Zola (1840-1902). Flaubert verdwijnt hier achter de coulissen; het gaat mij in dit stukje om Zola.

Dat verdomde géén geld

Soms is lezen jezelf verliezen. Mij overkwam dat met Zola’s mijnwerkersroman ‘Germinal’. Het herlezen van zo’n boek is een riskante onderneming. De kans dat het tegenvalt is het grootst. Maar ik kon het niet laten. Du moment dat deze in de winkel lag, kocht ik voor de sympathieke som van 10 euro de Rainbow-uitgave van de roman, die in het Nederlands is vertaald als De mijn. Wat blijkt? De roman staat nog als een huis. Mijn vrouw had tijdens de kerstdagen geen kind aan mij. Zola schetst een beeld van de sociale strijd van de mijnwerkers in negentiende-eeuws Noord-Frankrijk, en dat is onveranderd indringend gebleven.

Van de vaderlandse dichtervorst J.C. Bloem (1887-1966) is de uitspraak: ‘Het is niet dat verdomde geld, maar dat verdomde géén geld.’ Bij lezing van de eerste hoofdstukken van De mijn drong deze uitspraak zich voortdurend op. Hoe een kinderrijk mijnwerkersgezin probeert rond te komen van een slavenloon en hoe dat grandioos mislukt – daarover gaan die eerste hoofdstukken. Het vervolg van het boek beneemt me ook de adem. Ik ben ongeveer halverwege. Nog tweehonderd bladzijden te gaan. Prettige jaarwisseling verzekerd.